Boek, februari 2009
In haar nieuwe boek geeft Simone van der Vlugt enkele schrijftips prijs. Ze weet dat ze haar criticasters daarmee van extra munitie voorziet, maar so be it. Die moeten maar eens inzien dat ze spannende en vlot leesbare verhalen wil schrijven. En dan ontkom je soms niet aan een cliché. Een openhartig gesprek.
In Herfstlied probeert een vrouw een uitgever voor haar boek probeert te vinden en slaagt daar ook in. Is dit misschien je meest autobiografische thriller?
“Nee, dat is De reünie; daar zit veel meer van mezelf in. Maar ik snap waarom je dit vraagt. Mensen kunnen denken: wat Nadine meemaakt als beginnend schrijfster zal wel autobiografisch zijn’. Maar geloof me, dat is niet zo. De verschillen zijn groot. Ik heb geen schrijfcursus gevolgd en ik was al bekend als jeugdboekenauteur voordat ik mijn eerste thriller schreef. Dat neemt niet weg dat ik natuurlijk wel iets weet van de techniek van het schrijven en ook hoe het er bij uitgeverijen toegaat.”
Het moet wel lekker zijn om eens over zo’n bekende wereld te schrijven.
“Dat was het ook. Ik hoefde niet zo veel research te doen en het verhaal ook niet aan iemand te laten lezen die bekend is met de wereld waarover ik schrijf. Die wereld was dit keer míjn wereld.”
Je bent redelijk mild over het boekenvak. Veel auteurs zouden de verleiding niet kunnen weerstaan om hier en daar wat sneren uit te delen.
“Dat vind ik zo makkelijk…”
Toch laat je Nadine iets zeggen over het Boekenbal. Er zouden te veel kaarten worden weggegeven aan personen die nou niet bepaald als schrijver bekend staan. Vindt Simone van der Vlugt dat ook?
“Ha! Ik ben het wel met Nadine eens. Dat komt ook omdat ik in al die jaren als jeugdboekenauteur, van 1995 tot 2004, nooit voor het Boekenbal ben gevraagd. Daarna, als schrijver van thrillers, ben ik er steeds bij geweest. Ik heb daar vroeger nooit van gebaald, maar eigenaardig vond ik het wel. Vooral omdat je vrij veel mensen ziet waarvan je je afvraagt wat ze op het Boekenbal te zoeken hebben. Een keer kwam ik zelfs de docente van mijn dochter tegen. Niet dat ik haar geen leuke avond gun, maar ondertussen zitten er wel veel collega’s thuis.”
Waarom ben je destijds thrillers gaan schrijven?
“Op een bepaald moment boden jeugdboeken niet meer wat ik zocht. Bovendien werden mijn personages steeds ouder. Op het laatst waren ze eigenlijk al volwassen en schreef ik meer vanuit mijn eigen perspectief dan vanuit het standpunt van een tiener. In die zin was mijn overstap naar literatuur voor volwassenen best logisch. Net als mijn keuze voor het thrillergenre, omdat ik altijd al spannende jeugdromans schreef.”
Speelde erkenning ook een rol? Ben je niet ook voor volwassenen gaan schrijven omdat je dan voor vol wordt aangezien.
“Ik geef het niet graag toe, maar het heeft zeker meegespeeld.”
Waarom geef je het niet graag toe? Ieder mens is toch op zoek naar erkenning?
“Omdat ik niet de indruk wil wekken dat jeugdboekenauteur zijn minder waard is. Dat jeugdliteratuur ondergeschikt zou zijn aan literatuur voor volwassenen, want dat is het niet. Het is een heel eigen discipline en daarbij ook een vrij moeilijke. Maar ik was wel altijd ‘maar’ jeugdboekenschrijfster Simone van der Vlugt, opvolgster van Thea Beckman. In de boekhandel vond ik mezelf alleen terug bij de kinderboeken. Op het laatst dacht ik: ik wil ook wel eens op die tafels vooraan in de boekwinkel liggen. Het deed met goed dat niet alleen kinderen hun boeken lieten signeren, maar ook volwassenen. Dat er kennelijk ook mensen van mijn eigen leeftijd waren die ik wist te vermaken. Dat smaakte naar meer.”
Dan kies je vervolgens voor het thrillergenre. Het beproefde recept: je begint met een misdaad, introduceert de hoofdpersoon en daarmee een mogelijk volgend slachtoffer, enkele verdachten in haar directe omgeving en vervolgens laat je de minst voor de hand liggende verdachte de dader zijn. Werkt het zo?
“Misschien wel, maar er zijn heel veel variaties op dat thema. In De reünie draait het bijvoorbeeld om een verdwijning van jaren geleden. Daar vallen geen nieuwe doden.”
Wat ik eigenlijk wil zeggen: veel thrillers lijken in hun opbouw op elkaar. Denk je dat je daar nog een keer van afwijkt? Zoals in Tot het voorbij is van Nicci French, waarin halverwege duidelijk wordt wie de dader is. Dat viel niet bij iedereen in goede aarde.
“Ik vond het dapper. Bovendien werkt het ook goed. Ik wil nog wel eens een thriller vanuit het perspectief van de dader schrijven, zoals in A Kiss Before Dying. Je hebt wel gelijk wat die opbouw betreft, maar toch maakt dat ervaren thrillerlezers niet veel uit. Die gaan juist erg op in het gissen naar de dader, en in de spanning. Beproefd recept op niet. Het zit er wel in dat ik daar een keer van afwijk. Sterker nog, Herfstlied is mijn vijfde en laatste thriller met een hulpeloze vrouw in de hoofdrol, iemand waar van alles mee gebeurt. Daar ben ik nu wel op uitgekeken. Ik kom die vrouw ook steeds weer in thrillers van anderen tegen,samen met de ernstig foute man. Mijn volgende boek zal heel anders zijn, met meer girl power, over een vrouwelijke rechercheur die overal bij kan en zelf het heft in handen neemt.”
Weet je vóór het schrijven al wie je dader is?
“Ja, maar halverwege het schrijven wil ik daar nog wel eens van afwijken. Dan vind ik het te te voorspelbaar of juist te ongeloofwaardig. Of het wil maar niet spannend worden. Dan neem je een ander, met als gevolg dat je weer helemaal terug moet en alle lijnen moet herschrijven. Dat is overigens niet eens zo ingrijpend. Je zet namelijk meer rookgordijnen uit en er is nooit één potentiële dader. Daardoor kun je vrij gemakkelijk wisselen.”
Wat vind je het moeilijkste aan het schrijven van thrillers?
“De plot: een geloofwaardige en toch spannende ontknoping. Er móet een verrassend einde aan zitten. Bij mijn eerste thriller, De reünie, dacht ik: dit heeft iedereen door. Dat bleek uiteindelijk niet zo te zijn. Toch is een goede plot telkens weer een opgave. Ik merk het ook aan de thrillers die ik lees. Slechts een enkele keer ben ik echt verrast.”
In Herfstlied geef je bij monde van een cursist ook enkele regels voor de beginnende auteur.
“Dat is de goden verzoeken.”
Hoe bedoel je dat?
“Daar word ik natuurlijk op afgerekend. Ik had het er toevallig laatst met Esther Verhoef over. We hebben een weddenschap gesloten over de teneur van de kritieken. Ik zei dat ik de eerste recensies wel kan uittekenen. Zo van: ‘Simone van der Vlugt geeft in haar nieuwste werk enkele tips voor de miljoen amateurschrijvers in het land. Het is alleen jammer dat ze zich daar zelf nauwelijks aan houdt.’”
Is dat grappig bedoeld of vrees je dat ook echt?
“Het is vooral grappig bedoeld. Tegelijkertijd besef ik best dat dit de kritiek kán zijn. Omdat ik inderdaad soms mijn toevlucht neem tot een cliché, of te uitleggerig ben. Je bent niet altijd consequent. Vaak doe je dat bewust, maar dan ben je dus extra kwetsbaar voor kritiek.”
Eén van jouw regels is inderdaad dat je zo veel mogelijk clichés moet zien te vermijden. Hoe moeilijk is dat?
“Dat is bijna niet te doen. Want wat is precies een cliché? Over veel dooddoeners zijn we het wel eens. Een cliché als ‘de zon gaat bloedrood onder’ kan inderdaad niet. Maar zoveel zinnen zijn op het randje. Je moet wel heel creatief zijn om alles op een andere manier te willen zeggen. Bij het thrillergenre is dat onmogelijk. Dan haal je de vaart uit het verhaal, en vaart is voor een thriller juist zo belangrijk. Natuurlijk zitten er clichés in mijn werk. Soms heb ik het niet eens in de gaten. Dan schrijf ik te snel en moet ik iets teruglezen om ze te kunnen zien. Maar vaak kies ik er gewoon voor. Dan is de vorm ondergeschikt aan het verhaal, de vaart en de actie. Noem het voor mijn part functionele clichés. Hoeveel uitdrukkingen kun je verzinnen om iemand angstig te laten zijn? Net zo veel. Alleen heel creatieve geesten kunnen lezers met hun taalgebruik blijven verrassen. Ik kan dat niet. Wat ik wel kan is een vlot en spannend verhaal schrijven.”
Word je soms niet moe van die hele discussie over het literaire gehalte van de ‘literaire thriller’?
“Ach, het hoort er een beetje bij. Sommige mensen houden zich daar kennelijk mee bezig: mensen uit het boekenvak, recensenten. Soms ben ik het met ze eens. Er staat misschien een cliché teveel in, maar dat is een keuze. Het grote publiek interesseert het echt niet. Ik snijd het onderwerp wel eens aan tijdens lezingen en dan kijken lezers me aan van: waar heb je het over? ”
Trek je je iets aan van die recensies?
“Nee. Soms kwetsen ze me wel, maar ik probeer er altijd iets nuttigs uit te halen. En als ik ze niet snap, vraag ik wel aan mijn uitgever wat er bedoeld wordt.”
Je kunt ook een lange neus maken en je beroepen op de goede verkoop.
“Ik maak ook wel eens het grapje: I’m crying all the way to the bank. Maar zo zit ik niet in elkaar. Het gaat me niet alleen om het geld. Ik wil ook erkenning krijgen voor mijn werk. Het liefst van iedereen.”
Dat zal nooit gebeuren.
“Dat weet ik natuurlijk best. Daar was ik als jeugdboekenschrijver al achter. De kritieken die ik toen kreeg, zijn niet veel anders. Enerzijds word ik geroemd vanwege mijn research en het vlot geschreven verhaal – en bij mijn jeugdboeken ook om de onderliggende structuur. Anderzijds lees je dat het op woord- en zinsniveau allemaal wel wat beter kan.”
Gaat het er ook niet om voor wie je schrijft? Of je nou voor de NRC-lezer schrijft of voor de Viva-lezeres, is nogal een verschil.
“Dat heeft er alles mee te maken. Want ik weet heus wel hoe het moet volgens de taalpuristen. Ik kan ook best strepen in mijn eigen boeken. Daar worden ze misschien literairder van, maar ook kaler en stroever. Ik kies voor vlotte, spannende thrillers. Die lees ik zelf ook graag. Het is wat het is. En in zijn soort is het goed.”
