De slavenring



De slavenringSlaaf in Pompeï
Het is de eerste eeuw na Christus. De zeventienjarige Folkrad groeit op als zoon van het stamhoofd van de Cananefaten in het Rijnland, dat voor een deel door de Romeinen is bezet. Het is de bedoeling dat Folkrad eens zijn vader zal opvolgen, maar de goden beschikken anders. Door een noodlottige actie roept Folkrad de wraak van de Romeinen af over zijn dorp; de nederzetting van de Cananefaten wordt platgebrand en alle bewoners worden gedood. Folkrad weet op het nippertje aan de slachting te ontkomen. Hij wordt gevangengenomen en meegevoerd naar Italië, waar hij als slaaf wordt verkocht.   

Na vele omzwervingen komt hij terecht in de villa van heer Lucius in Pompeï. Folkrads meester is niet slecht voor zijn slaven en bij hem ontdekt Folkrad de rijkdom en de kennis van de Romeinen. Lucius’ zoon Marcus gaat heel wat respectlozer met zijn slaven om. Het mooie slavinnetje Chloë helpt Folkrad te vluchten. Terwijl de vulkaan de Vesuvius op de achtergrond steeds dreigender begint te rommelen, probeert Folkrad een nabijgelegen havenstad te bereiken, waar hij een schip hoopt te vinden dat hem terug kan brengen naar het Rijnland. Tijdens zijn vlucht barst de Vesuvius uit. Zouden de bewoners van de villa op tijd zijn ontkomen…? 
Bestel: De slavenring – Simone van der Vlugt  


   

FRAGMENT   

VesuviusFolkrad vlucht. Hij struikelt over een boomwortel, rolt een pijnlijk lang stuk naar beneden, krabbelt met een gehavend gezicht en bloedende handen overeind en haast zich verder. De Vesuvius lijkt ver genoeg van hem verwijderd maar de afgeplatte rookwolk verspreidt zich gestaag over de baai van Neapolis, duisternis en onbekend onheil met zich meebrengend.
Folkrad vlucht over de uitlopers van het Lactari-gebergte, die tot aan de rotsachtige kust reiken. Hij rent voor zijn leven. Aan de toorn der goden valt niet te ontkomen, maar iedere spier in zijn lichaam gebiedt hem het te proberen. Hij rent, valt, staat weer op, kijkt achterom, ziet de brullende berg nauwelijks kleiner worden en hij rent nog harder. Iedere stap brengt hem verder buiten het bereik van het gevaar. Maar ook verder weg van Chloë. Waar is ze? Heeft ze het gevaar zien aankomen? Is ze op tijd gevlucht?
Hij probeert zich een voorstelling te maken van de paniek die moet zijn uitgebroken in Pompeï. Als de aardschokken hier al zo hevig zijn, dan moeten ze Pompeï met de grond gelijk maken.
Folkrad kijkt tussen de stammen door achterom. Gedeelten van het bos worden verlicht door een angstaanjagende rode gloed boven de Vesuvius, waaruit lange vlammen naar de hemel schieten. Hij huivert en kijkt weer voor zich.
Op dat moment begint het stenen te regenen.
Grote brandende brokstukken suizen naar beneden, schieten tussen de boomstammen door, dreunen op de grond en veroorzaken brandjes. Maar het grootste deel van de stenenregen bestaat uit lichtere steentjes die een grauw waas vormen als bij hevige regenval.   

Beschutting zoekend onder de pijnbomen vlucht Folkrad, weg van de stad Stabiae die onderaan de heuvels de volle laag krijgt. De bosbodem wordt bedekt door een laag puimsteentjes die knarsen onder zijn voeten. Al gauw is er geen dennennaald meer te zien en geven de bomen nog nauwelijks enige bescherming. Wanneer hij omhoog kijkt, ziet hij alleen beschadigde takken die het gordijn van gesteente vrij spel geven. Het valt in enorme hoeveelheden maar het is verbazend licht en verwondt hem niet. Alleen de grotere, brandende stenen vormen een gevaar maar op de een of andere manier weten de goden die uit zijn buurt te houden. De hele middag strompelt Folkrad door de bossen. Ergens onder hem loopt de verharde kustweg naar Surrentum, maar hij durft de beschutting van het bos niet te verlaten. Pas als na uren de stenenregen minder dicht wordt, daalt hij af naar beneden. Even later staat hij op de gladde stenen van de heerbaan, die slechts bedekt wordt door wat gruis. Hij is veilig. Verder reikt het kwaad dat de Vesuvius uitbraakt niet.
Hijgend, zijn hand in zijn zij, kijkt hij hoe de kustweg over de rotsen verder slingert. Onder hem beukt de zee tegen de rotswand. Boven de hele baai van Neapolis is het zo donker dat Folkrad niets van de overzijde ziet. Uitgeput strompelt hij over de verharde weg verder, in de richting van Surrentum. Een halve mijl verder doemt het silhouet van een tempeltje op. Folkrad loopt er op af en gaat naar binnen. Hij heeft geen idee wiens rust hij in dit heiligdom verstoort, maar de betreffende god of godin zal het hem vast niet kwalijk nemen dat hij hier even schuilt.
Veel slaapt hij die nacht niet. De aardschokken jagen hem steeds verschrikt overeind. Ze zijn niet zo heftig, maar het schudden van de bodem jaagt hem iedere keer hevige angst aan.
Hij weet niet hoeveel later het is als een gigantische dreun hem wekt. Het is nog donker maar onmiddel­lijk is hij op de been. Voorzichtig waagt hij zich buiten en kijkt in de duisternis. Ver weg, aan de overkant van de baai, hoort hij de Vesuvius weer in gebulder uitbarsten. Houdt het dan nooit op?
Ongerust kijkt hij naar de reusachtige berg, die als een gebalde vuist uit het landschap verrijst en met gewelddadige stoten en lange, lekkende vlammen naar een hoogte­punt toe­werkt. Hij lijkt ver genoeg van de plek des onheils verwijderd te zijn, maar dat weet je nooit helemaal zeker.
Folkrad speurt naar de plek waar moet Pompeï liggen. Geen lichtje, geen fakkel, zelfs geen brand werpt enig licht in de duisternis. Verder weg langs de kust ziet hij de lichtjes van Misenum, van Puteoli. Maar van Pompeï is helemaal niets meer te zien.   


   

MEER OVER ‘DE SLAVENRING’
Een paar jaar geleden ben ik in Pompeji geweest; een stad in Zuid-Italië, net onder Napels. Ik had iets over de uitbarsting van de Vesuvius gelezen en dat leek me een spannend onderwerp voor een boek. Dus wat doe je dan? Je pakt het vliegtuig en vliegt richting Italië.   

Bijna tweeduizend jaar geleden, in 79 na Christus om precies te zijn, barstte de vulkaan de Vesuvius uit boven de hoofden van de inwoners van Pompeji. In de eerste uren van de uitbarsting slaagden veel mensen erin te ontkomen, maar tenminste tweeduizend Pompejanen bleven achter, om redenen die we nooit te weten zullen komen. Waarschijnlijk beseften de mensen totaal niet wat er aan de hand was en in welk gevaar ze zich bevonden. De regen puimsteentjes die viel was te licht om een groot gevaar te betekenen, waardoor ze een schuilplaats zochten en afwachtten. Pas toen hun huizen een val bleken te zijn, waaruit ze vaak nog maar ternauwernood konden ontsnappen, sloegen ze op de vlucht. Daarbij ging veel kostbare tijd verloren met het bijeenzoeken van kostbaarheden die beslist mee moesten.   

De uitbarsting begon op 24 augustus, om ongeveer één uur ’s middags. Tegen vieren was de stad al bedolven onder een laag puimsteen. Een wolk van giftig gas had al het leven in de stad uitgeblazen. Vanuit het Lactarigebergte keerden de vluchtelingen van het eerste uur terug om poolshoogte te nemen. Ze moeten volkomen verbijsterd zijn geweest te ontdekken dat hun stad helemaal toegedekt was met puimsteen en as. In 1594, toen werklieden een ondergronds kanaal groeven voor de watervoorziening van een villa, werd een steen gevonden met de inscriptie decurio Pompeiis. Er werd nauwelijks aandacht aan de vondst geschonken. Het duurde nog tweehonderd jaar voor een nieuwe vondst de belangstelling voor Pompeji aanwakkerde. Tijdens wat gegraaf in het wilde weg, stuitte men op een ruïne met de inscriptie res publica Pompeianorum, ‘de staat der Pompejanen’. Stukje voor stukje, met bewonderenswaardige nauwgezetheid, werd de stad blootgelegd en in kaart gebracht. Achttienhonderd jaren vielen weg, de stad gaf zijn geheimen prijs en voor het eerst viel er weer zonlicht in de straten van Pompeji.   

Buiten gebruiksvoorwerpen, sieraden en voedsel werden ook de Pompejanen zelf aangetroffen. Getroffen door puin of gestikt in de hete gloedwolk, waren hun lichamen bedolven onder as. De as omsloot hun lichaam, drongen door in iedere plooi van hun kleding, in iedere rimpel van hun huid, volgde de trekken van doodsangst op hun gezicht. De as hield hen gevangen en bewaarde hun contouren, lang nadat de lichamen waren vergaan.
De Pompejanen werden als holtes in de hardgeworden aslaag aangetroffen. Fiorelli kwam op het idee op die holtes te vullen met vloeibare gips. Nadat de gips hard was geworden, werd de aslaag verwijderd zodat er een verbluffend gedetailleerd afgietsel van een mens uit de oudheid overbleef. Er wordt nog steeds gegraven in Pompeji. In het oostelijk deel van de stad zijn archeologen nog volop bezig en worden nog steeds fresco’s, antieke voorwerpen, sieraden en lichamen aangetroffen. Het westen van de stad is helemaal blootgelegd en biedt de bezoeker uit deze tijd een fascinerende wandeling door de oudheid.   

Over mijn bezoek aan Pompeji heb ik destijds een verslag geschreven waarbij ik allerlei foto’s plakte. Dit schreef ik over mijn verblijf met mijn man Wim in Pompeji:   

“Tweeduizend jaar geleden hadden de Pompejanen nooit kunnen vermoeden wat een spektakel zou ontstaan over hun stad. We rijden over de kustweg richting Pompeji en volgen de borden ‘scavi’, wat ‘opgraving’ betekent. Al van verre schreeuwen borden waarop campings worden aangekondigd ons tegemoet. Ze liggen op een lange rij, waar vroeger de haven moet hebben gelegen voordat een lavastroom uit de Vesuvius de kustlijn vervormde. De zee ligt nu een stuk verder maar de campings liggen op een rij tegenover de opgraving. Ze heten bijna allemaal ‘Camping Pompeji’. Een aantal ruines is al zichtbaar en ik voel opwinding over me heen komen. Maar eerst moeten we nog een plein oversteken dat vol staat met toeristische kraampjes waar je boeken over Pompeji kunt kopen, en sieraden van ‘echt’ Vesuviusgesteente.
Geen tijd, we lopen rechtdoor naar de kassa en via de Porta Marina de Oudheid in. Ik herken alles van foto’s uit boeken maar om het echt te zien is heel anders. Het is adembenemend. Wat is het eigenlijk groot! En op de foto’s ervaar je niet hoe het warm het hier is, hoe stoffig de straten zijn en hoe vermoeiend het is om telkens op die hoge stoepen te moeten stappen. Hier en daar staan opstapsteentjes om je een handje te helpen als de stoep wel erg hoog is. Daar zullen in de Oudheid wel heel wat voeten gebruik van hebben gemaakt.
Ondanks alles wat er bewaard is gebleven van het antieke Pompeji, kost het toch wel enige fantasie om je een voorstelling te maken van hoe het er hier ooit heeft uitgezien. Ik gedachten trek ik de ruines op tot complete, witgepleisterde huizen, met overhangende balkons en winkels die uitgebouwd zijn op straat.
Bij de fonteinen heb ik minder fantasie nodig. Ook de toeristen van vandaag maken dankbaar gebruik van het frisse water. Lege plastic flessen worden bijgevuld; het is bloedheet. Op iedere hoek van de straat staat wel een fontein.   

Eigenlijk moet ik voor mijn boek een kijkje nemen bij de Porta Vesuvio maar het straatje dat daar naartoe leidt is afgesloten. Een bordje maakt ons duidelijk dat de toegang verboden is.
`Ja, maar ik moet er echt naartoe! Door die poort lopen Folkrad en Chloe steeds!’ zeg ik geërgerd.
Als er even geen bewaker te zien is, maken we snel het hekje open en lopen haastig het straatje in. Van de stadspoort is niets overgebleven dan een gapend gat in de stadsmuur. We klimmen de afgebrokkelde stadsmuur op en genieten van een weids uitzicht over de opgegraven stad. Ik maak foto’s zodat ik die later kan gebruiken als ik mijn boek ga schrijven. Daarna sluipen we achter de rug van de bewaker om terug de stad in.   

Sommige ruïnes hebben nog een heel interessante inhoud. Het langst blijven we kijken bij een herberg, ‘De herberg van Asselina’. De kruiken die in deze herberg werden aangetroffen waren gevuld met wijn van bijna tweeduizend jaar oud… De marmeren toonbank had gaten waar de kruiken ingezet konden worden zodat ze niet omvielen en de wijn lekker koel bleef. Op de achtergrond is het restant van een muurschildering te zien. Op de andere wand staan openstaande rekeningen gekrabbeld en schuine moppen over de meisjes die in deze herberg werkten. Ik neem me meteen voor om deze herberg en die meisjes, Smyrna, Aegles en Maria, in mijn boek te gebruiken. Dat is het leuke van historische boeken: die combinatie van fantasie en waargebeurde dingen.   


   

PRIJZEN   

Eervolle vermelding Jonge Jury   


   

RECENSIES   

“Levende talen”, Ruud Kraaijeveld
De slavenring, het zevende jeugdboek van Simone van der Vlugt, is een echte topper. Het verhaal dat zich afspeelt rond 77 na Christus, deels is gesitueerd in Nederland (‘Germania’) en deels in het klassieke Italië, is ongelooflijk spannend en heftig, vol dramatiek, met verrassende en onverwachte wendingen. Ook zitten er tal van ontroerende passages in. De lezer wordt stevig aan het denken gezet door de gebeurtenissen en het gedrag van de personages.
De manier van vertellen kenmerkt zich door veel vaart en afwisseling. Hierdoor boeit het van begin tot eind. Daartoe dragen de levensechte personages ook bij die herkenbare gedachten en gevoelens hebben en psychologisch interessant en diepgaand zijn uitgewerkt. Door de manier van vertellen zit je ontzettend dicht op de huid van de hoofdpersonen, voel en denk je met hen mee. Hun verdriet, woede, ellende, opstandigheid en twijfels zijn voor de duur van het verhaal de jouwe en je laat je moeiteloos meeslepen door hun emoties. Een knappe prestatie van deze schrijfster.
“De slavenring” geeft een schitterend beeld van het leven in de hoogtijdagen van de klassieke oudheid en appelleert door de thematiek voortdurend aan de emoties van de lezer. Die wordt ook woedend om de manier waarop Marcus Chloë en Folkrad behandelt. Het verhaal doet de lezer beseffen hoe belangrijk vrijheid is en wat voor innerlijke strijd Chloë en Folkrad moeten leveren. Het boek is door het interessante onderwerp, de afwisselende en vlotte manier van vertellen, de boeiend uitgewerkte thematiek en de diepgaande portrettering van de personages een regelrechte aanrader voor grote groepen leerlingen in de basisvorming.   

“Noord-Hollands Dagblad”, Hanneke van den Berg
“Inmiddels is Van der Vlugt zes boeken verder en heeft ze zich steeds meer verwijderd van de verteltrant van haar oudere college (Thea Beckman). Het gepassioneerde is gebleven, maar in de loop der jaren is er bij haar steeds meer iets onderkoelds bijgekomen en dat is positief bedoeld. Van der Vlugt slaagt er steeds beter in zich als schrijfster op de achtergrond te houden en de lezer de ruimte te laten om zelf in het verhaal te duiken. Emoties worden niet opgedrongen en ook laat ze steeds meer verhaallijnen open, zodat de lezer zelf kan verzinnen hoe het verder gaat met die persoon. Daar is ze in ‘De slavenring’ beter in geslaagd dan ooit.”   

“Nederlandse Bibliotheekdienst”, Andrea Oostdijk
“Historisch jeugdboek dat rijk is aan gebeurtenissen en waarin in vlotte, korte zinnen een overtuigend beeld geschetst wordt van het leven binnen het Romeinse rijk. Vrijwel geen aspect blijft onbelicht: de galeien, de slavenhandel, gladiatorengevechten, de positie van de vrouw. De hoofdpersonen krijgen heel wat ellende te verstouwen. Hun emoties worden met een minimum aan woorden beschreven, waardoor je als lezer soms graag nog wat meer over hun innerlijk leven zou willen weten. De finale, met de uitbarsting van de Vesuvius, is ijzersterk: beklemmend en angstaanjagend. Waren alle geschiedenislessen maar zo spannend!”

© Copyright Anthology Premium WordPress Theme - Designed by Pexeto