Jonas Magazine, oktober 2002



Jeugdboekenschrijfster Simone van der Vlugt(1966) gebruikt in haar nieuwste boek Schijndood regressietherapie en reïncarnatie om hoofdpersoon Kris vanuit het heden terug te laten keren naar het zeventiende-eeuwse Alkmaar – en andersom. Fantasie binnen een feitelijk kader, zoals ze zelf tijdens een regressiesessie ondervond.

Hoofdpersoon in het boek is Kris, student economie in Amsterdam. Hij wordt regelmatig geplaagd door angstdromen, waarin hij gevangen zit tussen hoge muren; achter die muren hoort hij gekreun en gezucht. Met een gevoel van dreigende dood wordt hij daaruit wakker. Op aanraden van een huisgenote bezoekt Kris een regressietherapeute. Deze voert hem terug naar het Alkmaar van 1655. Kris is nu Olivier Moeriaans geworden, 18 jaar, zoon van een apotheker en leerling op een kunstschilderatelier. Abrupt komt aan die carrière een einde als er melaatsheid bij hem wordt geconstateerd. Hij wordt verbannen uit de stad en naar de leprozerie gestuurd. De confrontatie met patiënten die de ziekte in een vergevorderd stadium hebben, kan hij niet aan en hij loopt weg. Als hulpje bij een kwakzalver reist hij rond en zijn ziekte lijkt beheersbaar. Tot op een kwade dag de eerste etterende wond verschijnt. Intussen waart ook de pest rond in Alkmaar. De jongen besluit terug te gaan naar zijn familie. Uit de therapie gekomen bezoekt Kris Alkmaar en herkent in het museum zijn tijdgenoten van vroeger en zijn eigen schilderij! Als Kris in de Grote Kerk de grafsteen van zijn familie ziet, kont hij in een spontane regressie en beleeft Oliviers dood. Nu kan hij verder met zijn 21-ste eeuwse leven.

U schrijft vooral historische jeugdboeken. Is kennisoverdracht belangrijk voor u?

‘Absoluut niet. Het is de grootste valkuil waar je als auteur van historische boeken in kan trappen. Vaak gaan te veel uitleg en uitvoerige beschrijvingen ten koste van het verhaal. Natuurlijk wil ik wel dat mijn lezers een beeld krijgen van de tijd waarover ik schrijf. De informatie probeer ik daarom te verpakken. Je kan beschrijven hoe modderig de straten waren, maar je kan ook je hoofdpersoon uit laten glijden in de modder. Dan is de tussenkomst van een verteller niet nodig.
De reden dat ik historische boeken schrijf is dat ik zo benieuwd ben naar die wereld die achter ons ligt. Een wereld waarvan we ons geen voorstelling zouden kunnen maken als er geen schilderijen waren en bodemvondsten en archieven. Een wereld die zo veranderd is dat we hem niet zouden herkennen als we werden teruggeflitst naar het verleden. Ik ben iedere hoofdpersoon zelf en wandel rond in die wereld, zie alles door de ogen van fictieve figuren en beschrijf mijn eigen gedachten en gevoelens. Dat maakt schrijven iedere keer tot een groot avontuur.
Ik wilde al jaren een boek over reïncarnatie schrijven. Thea Beckman had de tijdmachine gebruikt en ik zon op een andere manier om vanuit deze wereld terug te keren in het verleden. Reïncarnatie vond ik trouwens veel interessanter. Ik wist van frappante verhalen over regressies. Het probleem was alleen dat ik twee verhalen nodig had die niet voor elkaar onder mochten doen, waarvan niet het ene ten dienste stond van het andere. En ze moesten met elkaar te verenigen zijn. Bij mijn boek Zwarte sneeuw was ik het al van plan, maar daar kon ik geen tweede evenwichtig verhaal bij vinden. En het basisverhaal was te sterk. Bij Schijndood ging het andersom. Halverwege de verhaallijn met Olivier bleef ik steken. De pest kwam snel in beeld en zo had ik maar een half boek. En toen dacht ik aan reïncarnatie. Het verhaal van Kris kwam naast dat van Olivier. Toen was het zaak om alles vloeiend in elkaar over te laten lopen zodat de lezer niet steeds moet overschakelen van hoofdpersoon naar hoofdpersoon. Kris en Olivier moesten één personage zijn.’

Heeft u regressie en reïncarnatie puur als literaire middelen gebruikt of gelooft u in het bestaan van reïncarnatie?

‘Ik heb het gebruikt als literair middel, maar het is wel iets waarvoor ik grote belangstelling heb. Ik kan niet zeggen dat ik er heilig in geloof, maar ik sta er wel voor open. Het zou allemaal heel goed kunnen. Ik ben ook zelf in regressie gegaan. Niet omdat ik problemen had, maar om beter beslagen ten ijs te komen in verband met het schrijven van dit boek. De therapeute die ik bezocht vond het te schrijven boek al aanleiding genoeg om mij terug te voeren naar het verleden.
Daarbij zag ik mezelf terug in de negentiende eeuw, in een fabrieksstad. Ik werkte in een weefgetouwenfabriek en stierf op vrij jonge leeftijd. Of dit terug te voeren is op reïncarnatie weet ik niet. Sommige mensen noemen tijdens zo’n regressie namen en jaartallen. Daar had ik ook op gehoopt, maar het bleef erg vaag. Kris herinnert zich wel wie hij was en hij gaat zelfs zijn naam opzoeken in het doopregister. Hij gelooft niet in reïncarnatie, maar als hij zijn naam in een zeventiende-eeuws handschrift ziet staan, valt zijn mond toch open.
Ook kreeg ik bandjes mee die je achteraf nog eens kunt beluisteren. Dan merk je pas hoeveel stiltes er vallen en hoe slecht verstaanbaar je bent als je in trance bent. Dat gaat met pieken en dalen. Soms zak je heel ver weg en zie je levensechte beelden, dan weer ben je je heel bewust van de behandelkamer en denk je dat je de hele boel ligt te verzinnen. De meeste indruk maakte de doodservaring op mij. Ik lag in een bedstee en voelde hoe ik met een ruk omhoog werd gezogen. Met zo’n ontstellende kracht dat ik er van schrok. In een flits zweefde ik boven de bedstee, boven de daken, nog verder omhoog en toen was er… niets. Een oneindig niets waarin ik rond zweefde. Ik was dood. De beelden die ik tijdens de regressie zag leken een beetje op beelden die ik zie als ik een boek schrijf. Je sluit je ogen, je concentreert je en dan komen ze vanzelf. Omdat ik zo’n grote fantasie heb, vertrouwde ik de beelden in de regressie niet zo. Maar die doodservaring zag ik niet, die voelde ik. Een trucje van mijn geest? Een vorig leven? Ik weet het niet.’

© Copyright Anthology Premium WordPress Theme - Designed by Pexeto