Libelle, #49, december 2004
Door Margreet Botter
Simone van der Vlugt wordt wel eens de nieuwe Thea Beckman genoemd want ze schrijft al tien jaar met veel succes historische jeugdromans. Toch kun je haar nieuwste roman ‘De reünie’ een beetje een debuut noemen omdat ze zich voor het eerst op het genre thriller heeft geworpen. Een succesvol debuut, zo voorspellen wij.
Schrijfster Simone van der Vlugt: `Ik moes altijd de keuze maken tussen de was doen of een uurtje schrijven’

Van historisch jeugdboek naar thriller. Is dat geen enorm grote overgang?
Niet voor mezelf, maar in het algemeen is het ontzettend moeilijk om als jeugdboekenschrijver ook volwassenenboeken te schrijven, want je krijgt natuurlijk een etiket opgeplakt. Net zoals een soapster die ineens een serieuze rol wil gaan spelen. Dat klopt niet. Je hoort nu eenmaal in dat ene hokje en je moet niet denken dat je ook andere dingen kan. Maar ik dacht: wat voor de een geldt, hoeft niet voor ander te gelden. Ik wilde later niet in het bejaardentehuis zitten met de gedachte: had ik het nu maar geprobeerd!
Waar kwam die behoefte vandaan om een thriller te schrijven?
Ik ben altijd dol geweest op thrillers. Toen ik achttien was, vrát ik Agatha Christie. En ik had al eens iets geprobeerd in die richting en het bij een uitgever aangeboden. Dus die wens was er. Op het moment dat ik merkte dat jeugdboeken me niet meer alles gaven wat ik verlangde, probeerde ik een andere genre.
In welk opzicht gaven jeugdboeken je niet meer wat je verlangde?
Ik heb niet zo’n moeite om me voor een roman in de geschiedenis te verplaatsen, maar ik merk wél dat het me steeds meer moeite kostte me te identificeren met de hoofdpersonen in mijn historische romans. Dat zijn vaak jongere mensen en het viel me steeds moeilijker om in hun huid te kruipen. Ze stonden steeds verder van me af. Toen mijn eerste boeken werden uitgegeven, was ik 23 jaar en kon ik me nog wel verplaatsen in een dertienjarige. Maar de afstand tot die dertienjarige werd steeds groter. Na verloop van tijd werd de hoofdpersoon ook steeds ouder. Ik zat daarnaar te kijken en vroeg me af: waarom wil ik niet meer over dertienjarigen schrijven? Omdat ik daarin niet alles over mezelf kwijt kan. Relaties, kinderen hebben, verantwoordelijkheid… Ik kon er niets mee. Kinderen hebben nu eenmaal een andere belevingswereld. En dan kwam ik daar met de historische boeken nog een heel eind mee weg, want vroeger moesten kinderen veel sneller volwassen zijn. Dus als ik een hoofdpersoon van vijftien had, dan kon ik er al meer mee dan met een dertienjarige. En met een twintigjarige kon ik nog meer, want die werden eindelijk niet meer door papa en mama aan de hand genomen. Een verademing.
En toen begon je aan ‘De reünie’, over een twintiger die regelmatig teruggaat naar haar kindertijd. Zitten er overeenkomsten tussen je thriller en de andere boeken?
Ik heb in ‘De reünie’ heel erg moeten schrappen, omdat ik veel te veel had geschreven over de jeugd van de hoofdpersoon Sabine. Ik was bang dat mensen daarin konden lezen dat ik oorspronkelijk jeugdboekenschrijfster was, dat ik te kinderachtig zou worden. Het enige wat mijn boeken gemeen hebben, is dat ik altijd schrijf alsof het mezelf overkomt of kán overkomen. De hoofdpersoon geef ik mijn gevoelens, mijn gedachten en mijn manier van reageren mee. Dus eigenlijk ben ik iedere hoofdpersoon elke keer zélf. Niet in alles natuurlijk, maar er zijn altijd dingen in mijn leven die erop lijken en die je kunt vertalen naar die situatie. Zowel in de historische boeken als in ‘De reünie’.
Een andere overeenkomst tussen mijn boeken is dat de hoofdpersoon aan het begin van het verhaal een heel ander figuur is dat aan het eind. Ik wil dat je kunt zien dat hij of zij door alle belevenissen is veranderd, zich heeft ontwikkeld.
Hoe zit dat met jezelf, hoe heb hij je ontwikkeld in het schrijven?
Ik ben geboren in Hoorn en had echt zo’n reclamejeugd. Ik groeide op in een warm en gezellig gezin met ouders die mijn schrijven heel erg stimuleerden. Ik was een jaar of tien toen ik verhalen ging schrijven. Van mijn ouders kreeg ik een typemachine voor mijn verjaardag en ik kon me geen mooier cadeau wensen. Ze hebben nooit gezegd: `Dat gaat je niet lukken.’ Ikzelf was ervan overtuigd dat ik later schrijfster zou worden. En mijn ouders zeiden: `Ja, we weten dat het je gaat lukken, maar voor de zekerheid moet je ook bedenken wat je daarnaast zou moeten doen als het allemaal niet doorgaat.’
Toen ik dertien was, had ik al een aardig pak papier met verhalen bij elkaar en toen ben ik uitgevers gaan lastigvallen. Dat heb ik mijn hele middelbare schooltijd gedaan. Ik ging naar de boekhandel en vroeg adressen van uitgevers. Thuis vroeg ik om enveloppen en postzegels en schreef ik de uitgeverijen aan. Ik kreeg de ene na de andere afwijzing. Daar begreep ik natuurlijk niets van. Het waren zulke goede verhalen! Ik had eigenlijk altijd het gevoel dat het me op een dag zou lukken en heb me daar helemaal in vastgebeten. Dit verhaal niet goed? Dan doe ik het anders. Ik koos niet echt voor één bepaald genre. Eerst schreef ik historische romans en later ging ik liefdesverhalen lezen en schreef ik die. En weer later leerde ik Agatha Christie kennen en dacht ik: hé thrillers, die heb ik nog niet geprobeerd. En dus ging ik daarmee aan de slag. Pas later ging ik bestuderen met welk boek ik het beste naar welke uitgever kon gaan.
En je ouders bleven in je geloven?
Dat weet ik niet. Mijn ouders waren wel trots dat ik schreef, maar ik vraag me af of ze erin hebben geloofd dat het ook echt zou gaan lukken. Toen ik wat ouder werd en maar door bleef gaan, dachten ze ook: dat wordt echt wel wat. Ze zaten ook altijd mét mij in spanning, als ik een manuscript had opgestuurd. Mijn moeder las en leest nog steeds altijd mee. Ze heeft een scherpe blik. Als ik met haar commentaar niets doe, dan komt de uitgever met hetzelfde commentaar.
Mijn ouders pikten het ook dat ik de hele tijd zat te schrijven. Ik weet nog dat mijn moeder me wel eens vroeg de was aan de waslijn buiten in de gaten te houden, omdat zij even weg moest. En dan kwam ze terug terwijl de regen met bakken uit de lucht viel en dan vond ze mij helemaal in mijn eigen wereld achter de typemachine. Ik kan me niet herinneren dat ze er ooit echt boos om werd. Ik ben mijn ouders daar heel dankbaar voor. Juist in een fase waarin je als kind onzeker bent, is het belangrijk achter je kind te staan. Dat is goed voor het zelfvertrouwen. Als je als ouders alles meteen torpedeert, dan is dat niet alleen zielig voor het kind, het is misschien ook voorbarig. Je weet niet hoe iets zich ontwikkelt als een kind écht wil. Die ruimte heb ik toen van mijn ouders gekregen en ik heb daar veel van geleerd. Ik wil die ruimte dus ook weer aan mijn kinderen geven. Mijn dochter van elf jaar wil ontzettend graag zangeres en danseres worden, terwijl ik haar nooit hoor zingen. Maar als ze vraagt: `Mam, denk je dat ik zangeres kan worden?’, dan zeg ik: `Je kan alles worden wat je wilt, maar je moet er ook over nadenken wat je wilt worden als je geen zangeres wordt.´
Jij ging studeren voor het geval dat het schrijven niet ging lukken. Lukte het om in die tijd het schrijven naar de achtergrond te verplaatsen?
Niet helemaal, al kwam er een tijdje niets van schrijven. Tijdens mijn studie kreeg ik het idee voor een historische jeugdroman. Ik deed de lerarenopleiding en moest daarvoor in de jeugdliteratuur van Nederland duiken. Ik stuitte weer op Thea Beckman, wier boeken ik als kind echt had verslonden. Ik dacht: ik heb ook nog een idee voor een historisch verhaal op de plank liggen. Als ik klaar ben met studeren, ga ik dat schrijven. Tijdens mijn studie stond ik mezelf wel toe om onderzoek te doen voor die historische roman. En dus zat ik allemaal boeken te lezen over heksenvervolgingen terwijl ik eigenlijk Franse literatuur moest lezen. Na mijn studie nam ik me voor eerst een jaar te gaan schrijven en als dat niet zou lukken voor de klas te gaan staan. Ik heb dat eerste jaar wel een kantoorbaan gezocht met het idee dat het een tussenoplossing zou zijn. Want ik wilde echt schrijven en zou het blijven proberen.
Je eerste roman was ‘De amulet’, een historische jeugdroman die zich afspeelt in de zeventiende eeuw. Ook je andere historische romans spelen zich af in een ver verleden. Wat heb je met geschiedenis?
Tja, dat komt toch echt door Thea Beckman. Ik had niet echt iets met geschiedenis op de lagere of de middelbare school. Maar toen ging ik ‘Kruistocht in spijkerbroek’ lezen en dat was een leeservaring die ik nooit meer ben vergeten. Met gloeiende oortjes heb ik zitten lezen. Ik ben alle boeken van Thea Beckman gaan lezen en zo kwam de liefde voor geschiedenis als vanzelf. Toen ik ze uit had, ging ik ook een verhaal schrijven dat zich in die tijd afspeelde, over een meisje dat te maken had met hekserij. Dat is het begin van de verhaallijn van ‘De amulet’ geworden. Ik was toen veertien jaar.
Twaalf jaar later zat je bij dezelfde uitgeverij als Thea Beckman.
Inderdaad. Ik weet nog heel goed dat ik een jaar of 21 was en met mijn vriend op de Uitmarkt in Amsterdam liep. We kwamen op de schrijversmarkt terecht en daar zat Thea Beckman te signeren. Mijn vriend zei: `Kom op! Laat je boek signeren!’ Dus ik liet haar ‘Kruistocht in spijkerbroek’ signeren. Ze schreef: `’Voor Simone, veel leesplezier, van Thea.’ Ik was heel erg onder de indruk! Een paar jaar later zat ik met ‘De amulet’ op de Uitmarkt naast Thea. Zij met ál die boeken van haar ik met alleen ‘De amulet’. Ik zat gewoon te glóeien van trots. Ze zei dat ze graag een exemplaar van mijn boek wilde hebben en ik schreef voorin: `Voor Thea, veel leesplezier, van Simone.’ Ik vond het zó leuk om te doen. Ik had thuis een hele boekenplank vol Thea Beckman en nu zat ik gewoon náást haar, was ik een collega! Het heeft een tijd geduurd voordat ik daarvan hersteld was. Maar ja, ook dat went weer. Ik heb nu soms kinderen voor mijn kraam staan die helemaal in shock zitten te kijken en ik weet wat ze doormaken, want ik had het zelf ook. Het zijn kinderen die op hun beurt helemaal idolaat zijn van míjn boeken.
Hoe combineer je het schrijven met het moederschap?
Ik schrijf halve dagen. ’s Morgens gaan mijn kinderen om half negen de deur uit en dan ga ik met een kop koffie naar boven. Ik ruim nog net de ontbijttafel af en stop een was in de machine, maar dat is dan ook alles wat ik die ochtend doe. Want als ik eerst aan het huishouden ga, dan ben ik moe. En ik wil altijd het allerbeste van mezelf in het boek stoppen. Ik wil niet nahijgend van het stofzuigen met het zweet in mijn nek achter de computer kruipen. Want dat merk je aan je werk.
Om twaalf uur komen de kinderen weer binnen en dan sluit ik mijn computer af, hoe moeilijk dat soms ook is. Maar ik wil niet dat mijn kinderen me laten herinneren als een moeder die alleen maar aan het werk was. Als ze uit school komen, dan ben ik ook klaar. Maar als ze dan na het eten meteen naar hun vriendjes rennen, dan vind ik ook dat ik wel weer naar boven mag. Ze zijn nu elf en negen, dus ze krijgen steeds meer hun eigen leventje. En ik krijg er steeds meer tijd bij.
Maar hoe deed je dat dan toen ze klein waren?
Nou, dat was moeilijk en best heel frustrerend voor mij. Ik genoot ervan dat ze klein waren, maar ik kreeg ook heel goede ideeën als ze hier in de woonkamer met blokken zaten te spelen of elkaar in haren vlogen. Eigenlijk wilde ik dat dan meteen opschrijven. Ik had toen de computer ook beneden staan en parkeerde de kinderen wel eens achter de video, zodat ik even mijn ingevingen kon opschrijven. En als ik écht even wilde schrijven, belde ik mijn moeder met de vraag of ze alsjeblieft een uurtje wilde oppassen. Ik schreef ’s avonds of als ze overdag lagen te slapen. Ik moest dan altijd de keuze maken tussen de was doen in een uurtje óf een uurtje schrijven. Dat werd dan dus schrijven…
Dat zal je man leuk gevonden hebben. Accepteerde hij dat?
Ja, we ontmoetten elkaar toen we zeventien waren. Toen was ik al bezig uitgevers te benaderen en hij heeft dat dus allemaal meegemaakt. Hij wist hoe ontzettend belangrijk het voor me was. En toen het uiteindelijk lukte, was hij net zo door het dolle heen als ik. Als hij thuiskwam en het huis lag vol met troep, maar ik zat vrolijk achter mijn pc, dan schoof hij de rotzooi opzij en was hij blij dat ik lekker geschreven had.
Het schrijven lijkt bijna een obsessie voor je!
Dat is het ook wel een beetje. Er zijn allemaal verhalen die in mijn hoofd komen opzetten. Ik kan niet begrijpen dat andere mensen dat niet hebben. Ik kan dus ook niet uitleggen hoe dat bij me werkt: dat mijn fantasie ineens met me aan de rol gaat. Dat ik van alles voor me zie. Ik kan dan maar een ding doen en dat is het opschrijven. Als ik met het ene boek bezig ben, komt het volgende verhaal al aanstormen. Dat moet ik dan echt op afstand houden. Want de verhaallijnen daarvan beginnen ook al te lopen. Zo ben ik momenteel met een tweede thriller bezig en de derde dient zich ook al aan in mijn hoofd. Ik denk altijd wel twee, drie boeken vooruit. Niet dat ik daar dan heel intensief mee bezig ben, maar zo opeens krijg ik daar een idee voor. En voor ik het weet, gaat het een eigen leven leiden. Maar ik kan maar aan één boek tegelijk schrijven. Soms zit ik vast en dan leg ik een idee in de ijskast en ga ik aan de gang met een ander boek. Ik weet dus ook nog niet zeker of mijn volgende boek een thriller zal zijn of toch een historische jeugdroman. Dat hangt er vanaf hoe lekker het gaat.
