Libelle, maart 2009
Libelle Schrijversweken

Schrijfster Simone van der Vlugt:
“Toen ik me realiseerde dat mijn lichaam niet meer meewerkte, raakte ik in paniek”
Door gewrichtsklachten mag thrillerschrijfster Simone van der Vlugt (42) niet meer dan anderhalf uur per dag schrijven. Lastig. Toch heeft het haar ook wat opgeleverd: “De sociale contacten, de leuke dingen in het leven krijgen meer voorrang. Het draait niet meer exclusief om schrijven. En dat is goed”. Onlangs verscheen haar vijfde boek: Herfstlied.
Overleeskop:
“Het moet niet zo zijn dat ik straks in het bejaardenhuis zit en denk: ik heb alleen maar in een fantasiewereld geleefd”
“Mijn gewrichtsproblemen zie ik als een afbetaling voor al het geluk dat ik heb gehad”
“De tijd die ik heb om te schrijven, is kostbaar”
“Vroeger ging ik meteen door met een volgend boek. Als ik nu de laatste punt heb gezet, denk ik: zo ik ga eerst maar eens een week taartenbakken”
Simone van der Vlugt kijkt tevreden naar een exemplaar van haar nieuwste boek: Herfstlied. Opnieuw een thriller die je niet kunt wegleggen voordat je weet wie degene is die het heeft gemunt op de hoofdpersoon. Het leest makkelijk weg, korte zinnen, korte hoofdstukken. Van der Vlugt lacht. “Dat vinden mensen in deze jachtige tijden prettig. Ik houd wel een beetje rekening met de omstandigheden waarin mensen lezen. Volwassenen hebben steeds minder tijd voor een boek. Je moet het zo aantrekkelijk mogelijk voor ze maken.” Het heeft Simone van der Vlugt geen windeieren gelegd, er werden er al meer dan een miljoen thrillers van haar verkocht.
Het enige wat nog kan gebeuren, is dat straks de thrillermarkt instort door de kredietcrisis.
“Há, dat zou zuur zijn, zeg. Maar je hebt gelijk, ik bevind me in een gevierde schrijverspositie en dat went gek genoeg. Misschien zoek ik daarom steeds nieuwe uitdagingen. Ik heb net een script ingeleverd voor een historische roman voor volwassenen. Daaraan heb ik de afgelopen vier jaar gewerkt in de schaduw van mijn thrillers. Het is een boek over Jacoba van Beieren. De meeste mensen hebben wel van haar gehoord, maar weten niet wat voor een avontuurlijk leven ze heeft geleid. Ik raakte erdoor gegrepen. Nu ligt het boek dus bij de uitgever en is het een kwestie van duimen draaien en hopen dat hij net zo enthousiast is als ik. Dat is afwachten. Toch zit er diep in me inmiddels wel een soort vertrouwen. Als ik het doorlees, stel ik mezelf altijd twee vragen: vind ik het leuk om te lezen en heb ik er met plezier aan gewerkt? Als dat zo is, is het goed. Ik luister steeds beter naar wat ik van binnen voel. Het is een graadmeter die me zelden in de steek laat.”
Even over Herfstlied. Hoe kwam je op het idee voor deze thriller?
“Oei, dat weet ik eerlijk gezegd niet meer. Het is geleidelijk gegroeid. Ik was eigenlijk met een ander boek bezig, daar kwam Herfstlied uit tevoorschijn. Ik had eerst een andere verhaallijn, een andere dader. Maar toen het boek bijna af was, kreeg ik ineens een ingeving waardoor het boek nog spannender werd. Bij mij werkt dat wel vaker zo. Tja, en dan zit er niks anders op dan het verhaal helemaal om te gooien en opnieuw te beginnen.”
Lijkt me een ramp!
“Dat is het ook, maar aan het einde van de rit wéét ik dan wel dat het stukken beter is geworden dan het was.”
Laat je wel eens wat lezen aan anderen?
“Ja, meestal mag één persoon het lezen aan het einde van het schrijfproces. Dan is het ook al naar de uitgever geweest. Soms is dat een vriendin, soms mijn moeder. Net wie er tijd heeft.”
Sta je dan altijd open voor hun kritiek?
“Jazeker. Bij thrillers gaat het erom dat het de juiste constructie, de juiste opbouw heeft. Je mag niet te veel, maar zeker ook niet te weinig informatie geven aan de lezer. Soms denk ik dat ik heel duidelijk ben, dat ik het plot zelfs al heb verraden en tot mijn stomme verbazing leest iedereen er dan overheen. Soms ook plaats ik terloops een zinnetje en hebben mensen het meteen door. Zoiets moet je testen. Mijn man hoef ik niks te laten lezen. Hij helpt me bij correcties of als ik vastzit in een verhaal. Hij kent het boek vaak even goed als ik en zit er net zo bovenop. Anderen kijken er weer met een frisse blik naar. Hoewel, op een gegeven moment krijgen mensen door hoe je werkt. Het blijft voor mij een uitdaging telkens te verrassen. (Lacht geheimzinnig) Ik heb voor mijn volgende thriller alweer iets bedacht…”
Waar gaat Herfstlied over volgens jou?
“Het gaat over de willekeur van het leven. Over dat wat jou of je kinderen kan overkomen zonder dat je er grip op hebt. Dat gegeven heb ik verpakt in het boek. Waarschijnlijk omdat in mij ook die onberedeneerde angst zit: je zal maar een gek tegenkomen die kwaad wil. Mijn kinderen zijn pubers: een meisje van zestien en een jongen van dertien jaar. Zij zijn daar totaal niet mee bezig. Ik weet nog goed hoe ik zelf als puber was. Goed van vertrouwen en totaal geen gevaar zien. Ik herinner me dat ik tijdens een vakantie in Luxemburg een keer ben meegegaan met twee wildvreemde jongens, zonder het te overleggen met mijn ouders of een briefje achter te laten. We gingen de omgeving verkennen. Mijn ouders waren razend. Logisch. Ik zou het ook niet waarderen als mijn dochter dat deed. Maar ik weet ook nog goed hoe je als puber denkt. Je bedoelt het niet kwaad of egoïstisch, het komt gewoon niet in je op dat je ouders wel eens bezorgd kunnen zijn of dat die jongens misschien wat anders van plan zijn. En dat is ook precies wat ouders zorgen baart, wat mij zorgen baart. Mijn kinderen krijgen steeds meer hun eigen leven. Dat is gezond. Als het aankomt op grenzen stellen, probeer ik het te doen zoals elke andere ouder zou doen. Ik toon begrip, blijf rustig, ga in gesprek, maar ik kan af en toe ook razend worden.”
Delen jouw kinderen je passie voor het schrijven?
“Nee, jammer genoeg niet. Ze lezen mijn boeken niet eens! Wie weet, komt dat nog. Ik zie het wel bij een klein nichtje van me. Ze kan net lezen en schrijven. Ze schrijft nu al verhaaltjes in van die kleine zwarte druklettertjes omdat het dan meer op een boekje lijkt. Als ik het zie, denk ik: o, dat deed ik ook.”
Wordt schrijven makkelijker nu de kinderen groter zijn?
“Toen ze klein waren, was het schipperen met de tijd. Ik schreef als ze sliepen, op school waren of op de crèche zaten. Wat dat betreft zou ik nu los kunnen gaan, maar ik heb gewrichtsproblemen. Daarom schrijf ik elke dag maar anderhalf uur, ook in het weekend. De tijd die ik heb om te schrijven, is dus kostbaar. En toch, als mijn kinderen me soms nodig hebben, me écht iets willen vertellen en ik zit midden in een scène, laat ik die scène gaan. Mijn kinderen komen op de eerste plaats. Bewust. Ik heb wel eens kinderen van andere schrijfsters in interviews horen zeggen: ‘We zagen haar nooit, ze zat altijd maar in haar tuinhuis.’ Het lijkt me vreselijk om dat op je oude dag te horen. Bovendien: ik wilde dolgraag moeder worden. Samen met schrijven, leek me dat een van de leukste dingen in het leven. Dan moet je er ook zijn voor je kinderen.”
Niet meer dan anderhalf uur schrijven op een dag. Lijkt me moeilijk voor iemand die niets liever doet dan schrijven.
“Dat is het ook. Vooral als een boek bijna klaar is. Dan wíl je het afmaken, kun je eigenlijk niet stoppen. Maar ik moet. Ik heb last van hypermobile gewrichten. Dat betekent dat er te veel ruimte zit tussen mijn gewrichten. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. De meeste patiënten gaan klachtenvrij door het leven. Het wordt pas een probleem als je té lang achter elkaar iets doet. Op dat moment krijg ik allerlei ontstekingen. Pijn dus. Ik zat natuurlijk vaak hele dagen achter mijn computer. Ik schreef maar door, historische jeugdromans, thrillers, korte verhalen, lesmethoden voor geschiedenis. Toen ik me realiseerde dat mijn lichaam niet meer meewerkte, raakte ik behoorlijk in paniek. Soms pakte ik er een dictafoon bij en sprak ik daar wat op in. Ik moest en zou door met het werk. Het hield pas echt op toen ik ook in mijn kaakgewrichten problemen kreeg. In het begin zat ik vaak kniezend op de bank naar stomme televisieprogramma’s te kijken. Ik verveelde me kapot en van binnen voelde ik alleen maar onrust. Maar op een gegeven moment merk je dat je gaat ontspannen. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk niet meer wist wat dat was. Nu ben ik al zover dat ik kan zeggen: het is best lekker om even in de tuin te snoeien, met de hond naar zee te rijden, de stad in te lopen of uitgebreid te koken. Voor mij is dat nu een soort van bezigheidstherapie.”
Je hebt ineens een heel ander leven.
“Klopt. Ik geniet meer van het hier en nu. ’s Middags met de kinderen lekker uitgebreid theedrinken. Als een vriendin vroeger belde, had ik nooit tijd. Dan zei ik: ‘Ik ben zo druk met schrijven. Dat moet eerst af.’ Nu denk ik veel sneller: kom maar, gezellig. Dat boek komt morgen wel. In die zin heeft het me wat opgeleverd. De sociale contacten, de leuke dingen in het leven krijgen meer voorrang. Het draait niet meer exclusief om schrijven. Dat is ook goed. Het moet niet zo zijn dat ik straks in het bejaardenhuis zit en denk: ik heb alleen maar in een fantasiewereld geleefd. Schrijven was bijna een obsessie voor me. Ik heb nooit last gehad van een writersblock, altijd zijn er ideeën voor een nieuw boek. Dat is een geruststellend gevoel. Aan de andere kant wil je dan ook zodra er een boek af is, meteen door met een volgend verhaal. Dat doe ik dus niet meer. Als ik nu de laatste punt heb gezet, denk ik: zo ik ga eerst maar eens een week taartenbakken.”
Een mooi inzicht.
“Vind ik ook. Kijk, ik ben lichamelijk echt teruggefloten. Ik móest iets veranderen. Ik geloof dat dingen op je pad komen om een reden. Dat is misschien ook waarom ik me er uiteindelijk makkelijker bij heb kunnen neerleggen. Ik heb altijd iets fatalistisch over me gehad. Ik heb altijd geloofd dat er een soort weegschaal is in dit leven. Als je dit wel krijgt, krijg je dat niet. Voor mezelf bedacht ik: als ik schrijfster word, zal ik waarschijnlijk géén kinderen krijgen. Maar ik kreeg tóch kinderen. Bovendien werd mijn boek uitgegeven. Toen dacht ik: dan zal ik wel op mijn dertigste een heftige ziekte krijgen. Die bleef ook uit. En langzaamaan begon ik ervan overtuigd te raken dat het hele weegschaalprincipe lariekoek is. Dat het ook goed kan gaan in het leven. Er wordt niet met je afgerekend. Piekeren is zinloos. Je moet gewoon gelukkig zijn. Ik heb de dingen die ik het liefste wilde. Ik heb kinderen, ben jeugdboekenschrijfster, heb een lieve man, ben gezond. Dus deed ik er nog een schepje bovenop. Ik zei tegen iedereen: ‘Weet je wat: ik ga thrillers schijven.’ Iedereen zei: ‘Doe dat nou niet. Als je jeugdboekenschrijfster bent, kun je niet ook nog voor volwassenen schrijven. Je hoort nu eenmaal in dat ene hokje en je moet niet denken dat je ook andere dingen kan.’ Achteraf ben ik blij dat ik niet geluisterd heb, want het kon nóg leuker. Ineens waren ook alle financiële problemen voorbij. Ik ben nu 42 jaar en mijn verjaardag heb ik uitbundig met champagne en alles erop en eraan gevierd. Ik heb mijn dromen zien uitkomen. Prachtig! Er zijn genoeg anderen die ook van alles wilden, maar nog steeds met lege handen staan. Dan denk je op je veertigste toch: mijn jeugd is voorbij en ik heb er niks voor in de plaats gekregen. Nee, ik heb mijn tijd goed besteed. Dat is voor mij geluk. Ik heb geen spijt van beslissingen. Ik hoef niet te denken: had ik maar dit of had ik maar dat. Maar ook niet: ik zou dat en dat óók allemaal nog willen. Het is gewoon goed is zo. Natuurlijk hoop ik dat historische boeken voor volwassenen een succes worden, maar het valt in het niet bij wat ik voor mijn gezondheid hoop. Mijn hypermobile gewrichten zie ik als een afbetaling voor al het geluk dat ik heb gehad. En misschien wilde ik alles wel té graag. Deed ik té goed mijn best. Er moest iets gebeuren. Leven is niet alleen om van te genieten, ook om van te leren. Als het hierbij blijft, kan ik ermee leven. Op de een of andere manier voelt het ook wel geruststellend. Ik kan nu zeggen: niet alles is leuk in mijn leven. Ik heb ook iets. Al klaag ik niet hoor, want ik kan nog schrijven. Alleen in een heel ander tempo. Ik hoop van harte dat het ergere dingen op afstand houdt. Het schijnt overigens dat ouder worden goed is voor iemand als ik die last heeft van hypermobile gewrichten. Een mens krimpt immers. Daardoor komt er steeds minder ruimte tussen de gewrichten. Wie weet, ga ik straks in het bejaardenhuis pas écht los. Word ik ineens ontzettend productief. Laat ik als eerste een pc inbouwen op mijn rollator.”
In kader
Welk boek ligt er op je nachtkastje? “Schaduw van Karin Alvtegen”
Welke bestseller had je zelf willen schrijven? “De overgave van Arthur Japin en Woud der verwachting van Hella Haasse. Deze boeken hebben me geraakt. Ik pak ze er altijd weer bij omdat ik er wat nieuws in vind, iets wat ikzelf nog niet beheers.”
Welke hoofdpersoon is je het langst bijgebleven en waarom? “Sabine uit De Reünie omdat grote stukken autobiografisch zijn.”
Welk boek viel tegen? “Kathedraal van de zee van Ildefonso Falcones. Daar kwam ik niet doorheen.”
Wat heb je binnen handbereik als je schrijft? “Niets. Ik heb rust en stilte nodig. Je gaat tijdens het schrijven naar een andere dimensie. Ik laat koffie koud worden en snoepen vergeet ik.”
Hoeveel uur per dag? “Anderhalf uur.”
Waar werk je? “Thuis.”
Boekenbal of signeersessie? “Boekenbal. Is ontspanning voor mij.”
INTERVIEW: Jolanda Hofland. FOTOGRAFIE: Dirk-Jan van Dijk. HAAR EN MAKE-UP: Djolien de Kreij.