Santé, maart 2006



‘Mensen gunnen je alles, als het maar niet meer is dan ze zelf hebben’

De overstap van kinderboeken naar thrillers voor volwassenen heeft schrijfster Simone van der Vlugt (38) geen windeieren gelegd: haar razend spannende psychologische thrillers behoren tot de best verkopende. “Maar ik wil meer dan een spannend verhaal schrijven. Het moet ook interessant zijn. Daarom kies ik graag voor een maatschappelijk thema.”

“Kijk, dit is mijn werkkamer”. Simone van der Vlugt zwaait een deur open op de eerste verdieping van haar eengezinswoning in Alkmaar. De kleine kamer met uitzicht op de tuin ademt orde en netheid. Vanaf een poster boven het bureau kijkt het meer dan levensgrote gezicht van Simone zelf ons aan. “Schaduwzuster: Adembenemend spannend”, staat er in grote letters naast. “Een béétje trots ben ik wel”, zegt Simone, haast verontschuldigend. Ze heeft alle reden om trots te zijn. Sinds een paar jaar schrijft ze naast historische jeugdboeken ook psychologische thrillers. En met succes: ze is nu al één van de best verkopende schrijfsters in dat genre. De reünie werd uitgeroepen tot beste thrillerdebuut van 2004 en ook Schaduwzuster loopt sinds het verschijnen in oktober 2005 als een trein. Simone van der Vlugt is hot. En ze geniet ervan. “Het is heerlijk om in de schijnwerpers te staan. Om erkenning te krijgen voor iets wat ik met zoveel liefde doe.”
Simone schrijft al vanaf haar vroege jeugd. Ze wijst naar de onderste plank van de boekenkast, waar een kleine zwarte typmachine staat van een ouderwets model. “Van mijn opa. Als ik daar op bezoek kwam, had hij die al klaargezet. Dan wist hij dat hij de rest van de middag geen kind aan me had.” Als tiener maakte ze hele boekwerken, die ze opstuurde naar uitgeverijen. “Afwijzing na afwijzing kreeg ik binnen, tot ik eindelijk, op mijn 25ste, beet had. Met dit verhaal.” Simone rommelt in een kistje en vist er een stapeltje dicht betypte velletjes uit, bijeengehouden met nietjes. “Vlucht naar de vrijheid”, staat met viltstift op het voorblad geschreven. “Dit is de basis van mijn eerste boek, De amulet, over heksenvervolgingen in de Middeleeuwen. Vanaf het moment dat dat boek uitkwam, mocht ik mezelf eindelijk schrijfster noemen. Daarmee kwam een lang gekoesterde wens uit. Dát die ooit zou uitkomen, daarvan was ik overtuigd. De vraag was alleen wannéér.”

Omgaan met succes

Beneden aan tafel in de ruime, lichte woonkamer met open keuken drinken we koffie met spritsen. “Nee Copper, áf! Anders moet je weer in je bench”, zegt Simone streng tegen de piepkleine terriër die enthousiast blaffend tegen haar opspringt. Copper druipt af. Op haar 38ste heeft Simone het voor elkaar: ze heeft een mooi huis, een man, twee kinderen en een hond. En bovenal: een droombaan. Ze doet wat ze het allerleukste vindt en daar verdient ze ook nog eens goed geld mee. Zijn mensen niet stikjaloers op haar?
Simone: “Dat is inderdaad iets waar ik regelmatig mee te maken krijg. De keerzijde van de medaille. Mensen gunnen je alles, als het maar niet meer is dan ze zelf hebben. En zeker niet véél meer. Ook in persoonlijke contacten is het soms lastig. Ik heb een aantal vrienden die óók dromen van succes, maar er niet in slagen om die droom te verwezenlijken. Dat gaat wringen. Ze spreken het niet uit, maar je gaat het merken. Als je iets over jezelf vertelt reageren ze er niet op, zodat je soms het gevoel krijgt dat je tegen een muur zit te praten. Ik kan me dat wel voorstellen hoor. Het moet lastig zijn als je zelf iets wilt en dat lukt niet, en een ander heeft het ene succes na het andere… Ik probeer dan ook wel eens mensen te helpen. Zoals mijn beste vriendin, die edelsmid is. De ketting die ik vandaag om heb, heeft zij gemaakt. Zo hoop ik haar wat meer bekendheid te geven. Maar dat doe ik alleen omdat ze ook echt mooie dingen maakt. In het verleden hielp ik ook wel eens mensen die schrijver wilden worden, door hun manuscripten te lezen, maar daar ben ik mee gestopt. Ten eerste kan niet iedereen met kritiek omgaan, ten tweede gaat er veel tijd en energie in zitten. En als er dan resultaat bereikt is, hoor je opeens niets meer van zo iemand. Dan voel je je wel gebruikt. Voortdurend rekening houden met anderen doe ik ook niet meer, of op mijn woorden letten of dingen verzwijgen om maar niet te opschepperig over te komen… Als je daarmee ophoudt, merk je pas wie je échte vrienden zijn. En dat zijn er niet zo heel erg veel. Maar dat vind ik niet erg. Mijn grootmoeder zei altijd: geluk moet je zoeken in je naasten en in jezelf. Dat vond ik altijd een heel oubollige uitspraak, maar het wordt steeds meer waar. Ik trek me steeds meer terug in het kleine kringetje van mijn gezin en mijn familie. Die zijn gelukkig niet jaloers op mijn succes.”

Wat deed je eigenlijk vóór je doorbraak als schrijfster?

“Ik heb de lerarenopleiding gedaan, Frans. Maar ik heb nooit voor de klas gestaan, want ik wilde maar één ding: schrijven. Mijn man Wim, met wie ik al sinds mijn zeventiende samen ben, respecteerde dat. In de periode na mijn afstuderen verdiende hij het geld, zodat ik me volledig op mijn passie kon storten. Hij had ook kunnen zeggen: zoek maar een baan. Maar hij wist hoe belangrijk het schrijven voor mij was. Toen er kinderen kwamen bleek ik het heel goed te kunnen combineren met het moederschap. Als de kinderen sliepen, kon ik weer wat uurtjes werken. Maar het huishouden heeft er in die tijd wel onder geleden hoor. Het schrijven ging altijd voor. En nog steeds. Zelfs in onze vakanties ben ik ermee bezig. Dan gaan we naar een land waarmee ik iets wil in een boek. Een andere man zou daar misschien over klagen, maar Wim niet. Hij heeft me altijd gesteund. En daar plukken we nu samen de vruchten van.”

De Reünie werd bejubeld, maar kreeg ook stevige kritiek. Je zou schrijven voor “Hema-vrouwen”. Wat deed die kritiek met jou?

“Ik was erg gekwetst. Maar een uurtje later dacht ik: Zo’n opmerking slaat vooral terug op zo’n criticus zelf. Want hij beledigt niet alleen mij, maar ook een hele grote groep vrouwen die graag bij de Hema koopt. Wat is er trouwens mis met die winkel? Maar als hij bedoelt dat ik niet voor de culturele elite schrijf, dan heeft hij helemaal gelijk. Ik wil dat mijn thrillers voor iedereen te begrijpen zijn. En dat zijn ze, dat weet ik, want ik krijg ook fanmail van vijftienjarigen. Dat vind ik heel fijn. Mijn jeugdboeken werden ook vaak door volwassenen gelezen. Ik trek die grens nooit zo, tussen kinderen en volwassenen. Maar toen ik nog alleen jeugdboeken schreef, merkte ik dat ik steeds meer behoefte kreeg om eens over een volwassene te schrijven. De hoofdpersonen in mijn boeken werden ook steeds volwassener. Op een gegeven moment heb ik dus maar besloten om toe te geven aan mijn behoefte. En ik wilde altijd al een keer een thriller schrijven. Ik was dus niet een kinderboekenschrijfster die zonodig de overstap naar de ‘grote mensen boeken’ wilde maken. Ik deed het vooral voor mezelf. Maar goed, als je dan zo goed verkoopt, steek je weer je kop boven het maaiveld uit, en dan kun je erop wachten tot die wordt afgehakt.”

De hoofdpersonen in allebei je thrillers zijn vrouwen, is dat een bewuste keuze?

“Ja, eigenlijk schrijf ik het liefst vanuit het perspectief van een vrouw. Maar dat kon vaak niet in mijn historisch jeugdboeken. Mijn hoofdpersonen waren vrijgevochten types, die bijvoorbeeld alleen op reis gingen. Als vrouw kwam je dan niet ver in de Middeleeuwen. Dan was je na één dag al verkracht of vermoord. Ik moest dus wel kiezen voor jongens. En het lukt me ook wel om me in een jongen te verplaatsen. Maar in een volwassen man… Dat is andere koek! Dan kom je op vragen als: hoe kijkt een man naar vrouwen. Dat soort dingen. Ik weet niet of ik dat wel geloofwaardig kan beschrijven. Ik wil bovendien altijd iets van mezelf in mijn hoofdpersoon kunnen leggen. Schrijven vanuit een vrouw is dus gewoon makkelijker, omdat ik zelf een vrouw ben. Ik schrijf vanuit mijn gevoel, mijn belevingswereld. Daarom spelen allebei mijn thrillers zich ook af in de gewone wereld: op school, op kantoor, in een woonwijk. Die gewone wereld ken ik, dus daar kan ik goed en geloofwaardig over schrijven. En door juist in zo’n veilige wereld iets engs te laten gebeuren, iets wat de lezer niet verwacht, maakt het natuurlijk extra spannend. Maar ik wil meer dan een spannend verhaal schrijven. Het moet ook een interessant verhaal zijn. Daarom kies ik graag voor maatschappelijke thema’s.”

In Schaduwzuster is dat thema: geweld op zwarte scholen. Waarom koos je daarvoor?

“Ik kom veel op middelbare scholen en spreek veel leraren. Het viel me op dat hun verhalen steeds grimmiger werden. Leerlingen die met messen en andere wapens in de klas zitten zijn echt geen uitzondering. En toen die conrector werd vermoord, op die school in Den Haag, hoorde ik steeds meer verhalen van docenten die min of meer hetzelfde hadden meegemaakt. Dat wil zeggen: die waren bedreigd. Dat komt echt heel vaak voor. Er wordt alleen niet zoveel ruchtbaarheid aan gegeven, omdat alle scholen, vooral zwarte, bang zijn voor negatieve publiciteit. Toen ik dat hoorde, dacht ik: hier moet ik iets mee. Dit thema kan ik niet laten liggen. Niet om de wereld te verbeteren, die illusie heb ik niet. Maar zo’n verhaal spreekt me als schrijver aan. Ik ga daar dan meteen van alles omheen zitten te bedenken.”

Vond je het niet riskant om te schrijven over zo’n gevoelig onderwerp?

“Ja, zeker na de moord op Theo van Gogh. Op dat moment was de eerste versie van Schaduwzuster net af. Ik heb toen wel even getwijfeld of ik het boek wel moest laten uitgeven. Die eerste versie was nog wat heftiger dan het uiteindelijke boek. Ik noemde bijvoorbeeld bepaalde Islamitische groeperingen bij naam, die na die moord opeens dagelijks in het nieuws waren. En ik liet sommige personages in het boek wat ongenuanceerdere dingen zeggen of denken. Dat deed ik voor een deel om de lezer een spiegel voor te houden. Om te laten zien hoe bevooroordeeld mensen zijn, óók mensen die denken dat ze heel politiek correct zijn. En omdat het een spannend verhaal opleverde. Maar na die moord was ik opeens bang dat mensen mijn boek zouden gaan zien als een aanklacht tegen allochtone jongeren. Dat is het absoluut niet. Maar de verhoudingen stonden opeens zo op scherp… Ik wilde geen enkel risico nemen. Ik heb twee kinderen, die moeten ook nog naar school kunnen. Maar de uitgever overtuigde me ervan dat ik het boek toch moest publiceren. Ik heb toen wel bepaalde gedeelten uit de tekst geschrapt en andere toegevoegd, bijvoorbeeld een passage over moslimmeisjes die een positief geluid laten horen. Om diezelfde passage ben ik later nog geprezen, trouwens. Het was goed dat ik ‘de zwijgende moslimmeisjes een stem had gegeven’. Dat was een mooie bijkomstigheid. Ik heb geen moment overwogen om het verhaal dan maar op een witte school te laten plaatsvinden, met een blanke leerling die een mes trekt. Dat was ongeloofwaardig geweest. Dan hadden de lezers gedacht: O, die durft zeker niet over een zwarte school te schrijven. Ik was dus niet bang om een controversieel onderwerp aan te snijden, maar ik heb het wel op een iets voorzichtigere manier gedaan dan ik oorspronkelijk van plan was.”

De hoofdpersoon van Schaduwzuster, de lerares Marjolein, heeft een uitgesproken mening. Lijk je op haar?

“Ze staat heel dicht bij mij. Ik kan ook heel direct zijn. En ik ben net als Marjolein dol op winkelen en mooie kleren, haha. Heerlijk, je doet me geen groter plezier! Maar ik heb ook veel van haar tweelingzus Marlieke. Die karakters van die zussen, zo tegengesteld, maar toch heel verbonden, vond ik erg leuk om te beschrijven. Zelf heb ik geen zus. Dat heb ik altijd jammer gevonden. Vooral tweelingen fascineren me, al van jongs af aan. Het idee dat er iemand rondloopt die er precies zo uitziet als jij, en die ook nog innerlijk op je lijkt… Dat lijkt me fantastisch. Aan de andere kant: stel je voor dat die zus dan ook had geschreven. Dan waren we misschien wel elkaars concurrent geworden…”

© Copyright Anthology Premium WordPress Theme - Designed by Pexeto