• Facebook
  • Twitter
  • Nieuwsbrief
  • Homepage

Schrijftips

Vanaf februari 2015 start Simone van der Vlugt met het geven van persoonlijke schrijfworkshops. Ga naar Schrijven met Simone voor meer informatie.

Gewoon beginnen?

Veel mensen denken dat als je een boek wilt schrijven, je op een dag met een vaag idee gaat zitten en gewoon begint. Niets is minder waar. Want misschien gaat de eerste bladzijde nog wel, en misschien het eerste hoofdstuk ook nog wel, maar daarna moeten er nog heel wat komen. Dus je moet van tevoren wel een duidelijk beeld hebben van waar je naartoe wilt: wat wil je precies vertellen? En waarom? Hoe ziet je hoofdpersoon eruit, wat voor karakter heeft hij/zij, en verandert dat karakter in de loop van het verhaal? Dat laatste kan eigenlijk niet anders. Iedereen verandert. En onder bepaalde omstandigheden verander je wat sterker. Iemand die net aan dood is ontsnapt, zal het leven nooit meer als iets vanzelfsprekends beschouwen. En als je iemand verloren hebt van wie je hield, zul je daarna altijd een zekere angst houden om andere mensen van wie je houdt te verliezen. Kortom: je moet er rekening mee houden dat je hoofdpersoon verandert door alles wat je hem of haar laat meemaken.

Als je er dan uit bent wat er allemaal gebeurt in je verhaal, en hoe je hoofdpersoon daaruit tevoorschijn komt, kun je beginnen met schrijven, behalve als je historische verhalen schrijft. Eigenlijk is je voorwerk dan nog maar net begonnen, want of je nou over het jaar 1300 of 1900 schrijft, onze wereld ziet er nu heel anders uit. En je moet heel veel weten over zo’n tijd voor je één letter op papier kunt zetten. In Bloedgeld liet ik iemand met een verrekijker over zee uitkijken, maar terwijl ik dat schreef dacht ik: hadden ze wel verrekijkers rond 1655? Dus moest ik dat eerst uitzoeken. (Gelukkig was de verrekijker allang uitgevonden).

Misschien heb je wel een goed idee voor een boek, maar is het niet genoeg om zoveel bladzijden te vullen. Ga naar de bibliotheek. Schrijf je een verhaal over ruimtewezens, paarden, de toekomst, schepen, Indianen, bosbranden, het maakt niet uit. Zorg dat je zoveel mogelijk informatie krijgt over je onderwerp. Meestal krijg je al lezende het ene idee naar het andere. Toen ik Bloedgeld wilde schrijven had ik wel bedacht dat het over piraten in de zeventiende eeuw moest gaan, maar wat die piraat precies ging beleven wist ik nog niet. De ideeën kwamen pas toen ik een boek las met levensbeschrijvingen van piraten die werkelijk geleefd hebben. Het idee om Lutske verkleed als jongen aan boord te laten gaan, kwam toen ik aan boord van een nagebouwd V.O.C.-schip hoorde dat meisjes vroeger een uitgeholde stierenhoorn in hun broek stopten. Om ook staande te kunnen plassen… Dat vond ik zo leuk dat mijn piraat Reinout meteen niet meer de enige hoofdpersoon van mijn boek was. Lutske moest er ook in, met stierenhoorn! Het boek vormde zich tijdens mijn onderzoek.

Research afgerond! En dan?

Maar goed, je hebt je research goed gedaan. Je hebt een mooi verhaal bedacht en je hoofdpersonen beginnen al echt voor je te leven. Dan kan het schrijven beginnen. Maar hóe begin je? Mijn advies is: met iets spannends. Iets waardoor de lezers van je boek zich meteen afvragen hoe dat af zal lopen. De amulet begint met een heksenverbranding. In Bloedgeld begin ik met een gevangenis waarin de hoofdpersoon, Reinout, opgesloten wordt in een kelder die volloopt met water. In De guillotine laat ik de koets waarin Sandrine zit vastlopen in een opstand die voor haar heel gevaarlijk wordt.

Een goed begin

Als je niet direct iets spannends kan bedenken, open het verhaal dan met een dialoog of een gebeurtenis. Dus geen ellenlange beschrijvingen hoe de hoofdpersoon eruit ziet, of het huis waar hij/zij woont en hoe zijn/haar dag eruit ziet. De lezer wordt dan ongeduldig en denkt: begint het verhaal nou nog eens of hoe zit het? En je loopt het gevaar dat je boek aan de kant gegooid wordt.

Een voorbeeldje

Stel dat dit het begin is van mijn nieuwe boek:

“Marie loopt langzaam over straat. Ze is op weg naar school maar ze heeft helemaal geen zin. Een nieuwe lange dag strekt zich voor haar uit. Een dag vol saaie lessen en huiswerk dat ze niet heeft gemaakt. Ze kan zich gewoon niet concentreren. Dat komt omdat ze iedere dag gepest wordt op school. Er zitten twee meisjes en twee jongens in haar klas die iedereen tegen haar opstoken. Niemand kan tegen hen op. Zij ook niet. En daarom heeft ze geen zin om naar school te gaan.”

Misschien word je nu wel een beetje nieuwsgierig naar Marie, maar het kan nog wel wat spannender. Wat dacht je van een opening als deze:

“Marie voelt de koude stenen muur tegen haar rug. Ze drukt zich er nog steviger tegenaan, maar het is al te laat. Ze hebben haar gezien. `Daar zit ze!’ schreeuwt Joris. Hij wijst naar de steeg waarin ze zich heeft verstopt. Een steeg die doodloopt. Hoe heeft ze zo stom kunnen zijn? Ze schiet naar voren maar het is al te laat. De steeg wordt afgesloten door vier gedaanten die met de armen over elkaar een pesterige lach op hun gezicht naar haar kijken.”

Ook nu is het onmiddellijk duidelijk wat voor problemen Marie heeft. Maar je zit wel meteen in het verhaal en je hoeft niet eerst van alles uit te leggen. Natuurlijk moet je ook af en toe iets uitleggen. Niet iedere bladzijde in een boek kan spannend zijn. Er moeten rustpunten in zitten. Maar gebruik daar zo min mogelijk zinnen voor. En als het even kan, probeer het dan op de manier te doen zoals ik hierboven beschrijf: door een gebeurtenis. En misschien wel de belangrijkste tip: schrijf vanuit jezelf. Wat zou jij doen op zo’n moment? Wat zou je denken en voelen? En wat zou je denken als je juist die andere persoon uit het boek was (de pestkop bijvoorbeeld)? Op die manier krijg je alle figuren in je verhaal zo echt dat de lezer helemaal met ze mee gaat leven. En dat is per slot van rekening de bedoeling van een boek… Succes!