De bastaard van Brussel
Brussel 1565 De twintigjarige Crispijn Matsijs is eigenaar van bierbrouwerij en taveerne ‘Au brasseur’. Sinds de gevreesde inquisiteur Pieter Titelmans in de stad is, wordt het dagelijkse leven steeds vaker verstoord door openbare executies, waarbij iedereen die commentaar heeft op het katholieke geloof, op de brandstapel belandt. Als trouwe bezoeker van de katholieke kerk waant Crispijn zich veilig, maar als de jacht op vermeende ketters steeds heviger wordt, belandt ook hij in de martelkamer van de fanatieke inquisiteur. Hij wordt gered door graaf Lamoraal van Egmond, Crispijns biologische maar onwettige vader, die zijn bastaardzoon uit de kerkers bevrijdt. Crispijn probeert zijn leven weer op te pakken in zijn brouwerij in Brussel maar dat valt niet mee. Eigenlijk is het leven in de hoofdstad te gevaarlijk geworden voor hem. De Spaanse koning Filips II stuurt de hertog van Alva naar de Nederlanden om alle ketterij uit te roeien. Vanaf dat moment is niemand zijn leven meer zeker – ook de adel niet. Tot Crispijns grote ontzetting wordt zijn vader gevangengezet. Als hij zelf ook in levensgevaar komt, besluit hij zich aan te sluiten bij de verzetsgroep van de bosgeuzen en de strijd tegen de onderdrukkers aan te binden…
Uitgeverij AmboAnthos
Bestel: De bastaard van Brussel – Simone van der Vlugt
Fragment
In de taveerne gaan alle gesprekken over Titelmans, over de hagenpreken in de omgeving, over de brandstapels die in heel Vlaanderen de lucht verhitten.
En op een avond gebeurt wat Crispijn altijd al heeft gevreesd: er wordt een inval gedaan. De binnenkomst van de soldaten valt eerst niet eens op in de drukte, tot de ene na de andere gast opkijkt, verbleekt en stilvalt. De drukke gesprekken verstommen tot een zwak geroezemoes, tot er een doodse stilte onder de zware eikenhouten balken hangt.
Crispijn is onder de toog gedoken om de stop uit een nieuw vat bier te trekken. Gealarmeerd door de stilte komt hij overeind en kijkt recht in het smalle gezicht van Titelmans.
Hij is veel kleiner dan ik, is de eerste gedachte die door zijn hoofd schiet. Als ik hem een duw geeft, vliegt hij door de gelagkamer.
Maar er is geen sprake van dat hij de inquisiteur een duw gaat geven. Pieter Titelmans mag dan een gewone pastoor-deken uit Ronse zijn, een iel, kortzichtig mannetje met grootheidswaanzin, hij staat voor hem als inquisiteur met bevoegdheden die verstrekt zijn door landvoogdes Margaretha van Parma. Ondanks zijn tengere schouders en smalle postuur straalt zijn houding macht en fanatisme uit.
`Mag ik u vragen waaraan ik de eer…’ begint Crispijn, maar Titelmans heeft geen tijd om de schijn van vriendelijkheid op te houden. Hij geeft zijn soldaten een wenk en de mannen stormen de brouwerij en Crispijns woonvertrekken binnen. Twee soldaten blijven achter in de gelagkamer en vatten post bij de uitgangen.
`Wat is hier de bedoeling van?’ informeert Crispijn zo rustig mogelijk. `Waarom komt u zo binnenvallen?’
`Omdat wij het sterke vermoeden hebben dat hier samenscholingen worden gehouden,’ zegt Titelmans, even kalm.
Crispijn schenkt twee kroezen bier in, schuift er een naar de inquisiteur en neemt een slok uit de andere. `Dat lijkt me niet verbazingwekkend voor een taveerne.’ Hij veegt het schuim van zijn mond en kijkt het mannetje tegenover hem zo rustig mogelijk aan.
Pieter Titelmans heeft weinig gevoel voor humor. `Verboden samenscholingen,’ zegt hij koud. `Lutherse samenscholingen.’
Crispijn schudt zijn hoofd. `Ik ben een goed katholiek.’
`U gaat naar de kerk, ja,’ knikt Titelmans. `Maar u verbiedt aanhangers van het lutherse geloof niet om uw taveerne te bezoeken. U omringt zich met verdachte ambachtslieden en de impuls om ketters van de brandstapel te bevrijden ontstond hier, in deze taveerne, naar ik heb vernomen. En als ik me niet vergis stond u aan het hoofd van het oproer.’
Crispijn haalt zijn schouders op. `Daar vergist u zich wel in.’
Titelmans leunt met zijn arm op de toog en buigt zich iets naar Crispijn toe. `De man die tegenover me stond in het Broodhuis had uw postuur.’
Weer haalt Crispijn zijn schouders op, maar onder hem – goddank niet zichtbaar voor Titelmans – trillen zijn knieën tegen de toog.
Titelmans draait zich om, leunt tegen de toog en laat zijn ogen ronddwalen door het nog altijd doodstille vertrek. Alle gasten ontwijken zijn blik. Ze kijken weg, staren naar het tafelblad of wenden zich af. Achter in het huis gaan de soldaten tekeer in de kasten. Een van hen komt terug met Eva, die even naar achteren gelopen was, en duwt haar de gelagkamer binnen. Crispijn stapt achter de toog vandaan en steekt zijn armen naar haar uit. Ze vliegt naar hem toe en drukt zich tegen hem aan.
Titelmans maakt zich los van de toog en loopt met trage, luid klinkende stapjes naar hen toe.
`Wie hebben we hier?’ zegt hij zacht. Hij hoeft maar iets te buigen om op ooghoogte met Eva te komen. Langzaam gaat zijn hand naar haar hals, waar een dof zilveren kettinkje tegen haar huid blinkt. Traag trekt Titelmans het vanonder haar halsdoek tevoorschijn.
`Ach,’ zegt hij teleurgesteld. `Geen kruisje. Maar dat heeft er ooit wel aan gehangen, nietwaar?’
Eva kijkt zichtbaar nerveus naar Crispijn.
`Nee,’ zegt Crispijn. `Het is gewoon een zilveren kettinkje.’
Titelmans knikt bedachtzaam. Met trage, weloverwogen stappen loopt hij een rondje door de gelagkamer. `En dit is een gewone taveerne,’ zegt hij halfluid, maar goed verstaanbaar in de stilte om hem heen.
De soldaten keren met lege handen terug. `Niets verdachts gevonden, heer.’
`Niets?’ Met zijn handen op zijn rug draait Titelmans zich om en kijkt zijn soldaten scherp aan.
`Niets. Maar ook niets dat erop wijst dat we met een goed katholiek te maken hebben.’
`Dat is ook niet per se nodig,’ zegt Titelmans, met een zijdelingse blik op Crispijn. `Ik heb navraag gedaan naar deze jongeman. Hij heeft interessante vrienden. Helaas zijn de meeste van hen de stad uitgevlucht. En was het niet uw moeder, Godelieve Matsijs, die een verboden preek bijwoonde en daarbij het leven liet?’ Vragend kijkt Titelmans Crispijn aan, die ongemerkt steun zoekt bij de toog.
Met onverwacht ferme stappen beent Titelman naar de voordeur en beveelt met een snauw: `Neem ze mee. Allemaal.’
Een enorm tumult barst los. De mannen aan de tafeltjes vliegen overeind, sommigen deinzen terug, anderen proberen via de achteruitgang en de deur naar de brouwerij te ontkomen. Crispijn grijpt Eva bij de arm, sleurt haar naar de voordeur. Titelmans heeft die nog niet bereikt en laat zich verrassen door een flinke duw in zijn rug, waardoor hij tegen een kast met kroezen smakt. Crispijn trapt de deur open, duwt Eva naar buiten en volgt haar. In de straat staat een versperring, gevormd door een wagen en een paar lege biervaten die voor de taveerne staan. Dat geeft Eva de tijd om de donkere Hoedenmakerstraat in te rennen, maar Crispijn krijgt die gelegenheid niet meer.
Hij voelt hoe een paar soldaten van achteren boven op hem springen, smakt op de grond en wordt in de modderige sneeuw gedrukt. Vervolgens wordt hij overeind gesleurd en geboeid. Met de smaak van modder en doodsangst in zijn mond wordt hij meegevoerd, de Hoedenmakerstraat in, de Grote Markt op. De donkere contouren van het Broodhuis rijzen dreigend boven hem op.
In een hoog tempo ziet hij de traptreden onder hem voorbijflitsen; dan is hij binnen en wordt hij meegevoerd naar het cellencomplex onder het gebouw. Het is een opeenvolging van gangen, zware deuren die moeten worden ontsloten, nog meer gangen en deuren, tot ze in een donker, muf ruikend gangetje halt houden.
Een duw in zijn rug en Crispijn staat in zijn nieuwe woonruimte. Acht passen naar voren, vier passen opzij, schat hij. In het licht van de lantaarns van de bewakers ziet hij dat naast hem, bij de deur, een houten bak staat waar een walgelijke lucht uit opstijgt. Tegen de linker- en de rechtermuur staan britsen met dekens. Wat zich in de donkere hoeken van de cel bevindt, blijft voor Crispijn verborgen.
De bewakers gaan weg en nemen licht en leven mee. Het wegstervende geluid van rinkelende sleutelbossen, schuivende grendels en holle voetstappen in de gang wordt gevolgd door een doodse stilte.
Crispijn blijft roerloos staan. Zolang hij niet beweegt, maakt hij voor zijn gevoel nog deel uit van de wereld achter de gesloten deur. Eén stap in de kerker en de paar meter tussen de kille muren is de ruimte waarmee hij het voorlopig moet doen.
Een mens kan niet eeuwig in dezelfde houding blijven staan, maar hij zou het lang hebben volgehouden als niet een stem uit de linkerhoek hem uit zijn verstarring had losgemaakt.
`Dat rechterbed is voor jou. Waag het niet aan de linkerkant te komen.’
Nog steeds zonder zich te verroeren verplaatst Crispijn zijn blik naar de hoek waar de stem vandaan komt. Hij heeft de man op het bed niet eens gezien, maar nu zijn ogen aan het donker beginnen te wennen, kan hij hem vaag onderscheiden.
Zijn medegevangene negeert hem verder. Er komen smakkende geluiden uit de donkere hoek, alsof hij van een maaltijd zit te genieten, wat Crispijn zich moeilijk kan voorstellen. De geluiden duren zo lang voort dat hij na een tijdje begrijpt dat het een dwangmatige gewoonte van de man is.
`Ik ben Crispijn Matsijs,’ zegt hij, met het idee dat ze er samen maar het beste van moeten maken.
De man snuift en smakt met zijn lippen. `Dat maakt mij geen barst uit.’
Crispijn haalt zijn schouders op en zakt neer op het randje van de brits rechts van hem.
`Zo lang zullen we niet met elkaar opgescheept zitten,’ voegt de man er binnensmonds aan toe.
Als vanzelf kijkt Crispijn naar het venster, waarachter hij de Grote Markt weet. Wordt daar binnenkort voor hem een brandstapel opgericht? Hij duikt ineen bij de gedachte.
`Maak je geen zorgen, ze hebben onlangs besloten dat er voortaan niet meer wordt gebrand,’ zegt de man.
Een enorme golf van opluchting stuwt het bloed door Crispijns aderen. Zijn hoofd wordt opeens zo licht dat het los op zijn schouders lijkt te zitten.
`Is dat waar? Wordt er niet meer gebrand?’ zegt hij schor.
`Sinds die ketters van de brandstapel worden bevrijd, zijn ze ermee gestopt,’ klinkt de stem van de man uit het donker. `Nu vermoorden ze ze in stilte. Iedere ketter die bekent, wordt verzopen in een kuip water of gewurgd in zijn cel.’
Meer info
Van sommige boeken weet je precies hoe, waar en wanneer je op het idee gekomen bent om ze te schrijven, van anderen kun je het je niet zo goed meer herinneren. Dat is het geval bij De bastaard van Brussel.
Ik heb het onderzoek voor dit boek al lang geleden gedaan, en tijdens het schrijven kwamen er ook steeds andere schrijfprojecten tussen door, zoals Het Hercynische woud en mijn thriller voor volwassenen, De reünie.
Ik weet nog wel dat het mijn bedoeling was om een boek over de Tachtigjarige Oorlog te schrijven. De komst van de Spanjaarden, de belegering van de Hollandse steden, dat leken me prachtige onderwerpen.
Zoals altijd dook ik in de geschiedenisboeken om te bestuderen hoe die strijd tussen de Nederlanders en de Spanjaarden precies was ontstaan, en ik ontdekte dat het eigenlijk allemaal in Vlaanderen was begonnen. Brussel was in de zestiende eeuw het centrum van Europa. Daar zat het hof, daar hadden de belangrijkste edelen hun paleizen laten bouwen. Dus besloot ik om Brussel als decor voor mijn boek te nemen.
Brussel was in die tijd het centrum van de bierbrouwers, en dat leek me een prima beroep voor mijn hoofdpersoon Crispijn. Ik liet hem ook nog een taveerne hebben, want dat is een geschikte plek om mensen samen te laten komen.
Ik had zelf eens een boek gelezen over een jongen die een buitenechtelijk kind was, en geen best contact had met zijn vader. Zo kwam ik op het idee om Crispijn de bastaardzoon te laten zijn van graaf Lamoraal van Egmond, die echt bestaan heeft.
Crispijn heeft overigens niet echt bestaan, maar in die tijd hadden veel edelen buitenechtelijke kinderen dus het is wel aannemelijk dat deze graaf ook een paar bastaards had rondlopen.
Nu moest ik niet alleen van alles over de aanloop van de Tachtigjarige Oorlog te weten zien te komen, maar ook over de graaf en zijn gezin. Het is lastig om te schrijven over mensen die echt bestaan hebben. Je kunt niet zomaar van alles over ze beweren, en je moet je aan de ware loop van de gebeurtenissen houden.
In het boek krijgt Crispijn een hechte band met zijn halfzus Leonora. Eigenlijk is hij een beetje verliefd op haar, en zij op hem. Maar ik kon ze natuurlijk niet echt iets met elkaar laten krijgen want het is bekend dat Leonora in 1582 met George van Hoorne trouwde en vier kinderen van hem kreeg. Maar ze konden natuurlijk wel gevoelens voor elkaar hebben.
Een interessante ontdekking was dat rond Brussel grote groepen vluchtelingen rondzwierven, die zich in de bossen schuilhielden en aanslagen pleegden op de Spanjaarden in het algemeen, en op de hertog van Alva in het bijzonder. Ze noemden zich de Bosgeuzen, en ze voerden een ware guerrilla in de dichte wouden van Vlaanderen. Dat is natuurlijk ontzettend leuk om over te schrijven. Crispijn komt op een gegeven moment in de problemen en sluit zich aan bij die Bosgeuzen.
Crispijn, Eva, Peer en Jannekin zijn verzonnen personages, maar verder hebben alle figuren die in het boek voorkomen echt bestaan. De hele geuzenbende bijvoorbeeld bestaat uit historische personages. Ook Crispijns vriend Hans de Duivel heeft echt bestaan. En dat geeft het boek voor mij een bijzonder tintje…